Waarheid naast leugen

Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ’s nachts gekomen en hebben Hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen” (Mat. 28:13).

In een van zijn gelijkenissen vertelt Jezus over een akker waar onkruid tussen het graan groeit. Moet dat gewied worden? Maar de boer zegt wil dat niet dat er dan per ongeluk ook graan gewied wordt. Daarom zegt: "Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst”. Aan dat woord houdt Jezus zich, als Hij na zijn opstanding niet verschijnt in de joodse raad. Als Hij kan verschijnen in het midden van leerlingen die bijeenkomen achter gesloten deuren, kan Hij toch ook verschijnen in het midden van hogepriester en oudsten die bijeenkomen in besloten zitting? Toch heeft Hij dat niet gedaan. Blijkbaar is dat niet de manier waarop Hij ons tot geloof wil brengen.

Hij enige zichtbare teken van zijn opstanding dat Hij achterlaat is het lege graf. Wat de meeste vruchtbare verklaring van dat lege graf is, moet bij het opgroeien maar blijken. Dan zal blijken of het evangelie van Matteüs het goede zaad is of het verhaal van de joodse raad; of het al Pasen geweest is of dat het nog Pasen moet worden. Voor Matteüs zelf is het geen vraag meer of Jezus leeft. Daarom kan hij rustig in zijn evangelie opnemen dat Jezus' opstanding ook meteen ontkend is. Want de leugen kan nooit sterker zijn dan de waarheid.

Jezus zelf bidt dat de wereld tot geloof in Hem zal komen door iedereen ziet dat zijn volgelingen één zijn (Joh. 17:21). Dat gebed is verhoord in de eerste christelijke gemeente. Die groeide zo hard omdat men zag dat die christenen echt één van hart en ziel waren. Waar zag men dat aan? Dat ze alles met elkaar deelden (Hand. 4:32). Daarin leken ze op Jezus. Ze hadden alles voor elkaar over, zoals Hij alles voor hen over had. Jezus herken je aan het brood dat je met elkaar deelt.