Een vast en groot aantal

‘Als kinderen andere wegen gaan’ is de titel van een boek dat ingaat op een van de zwaarste pastorale noden in de gemeente: het verdriet van ouders die hun kinderen weg zien gaan uit de kerk en het geloof zien verliezen. Het is geschreven door Margriet van der Kooi, gespecialiseerd in het pastorale gesprek, en Wim ter Horst, pedagoog. Het boek is vol wijsheid en troost. – Lees eerst de rubriek Schriftwerk in dit nummer (p. 6); de troost die de HEER geeft in de daar besproken tekst, wordt hieronder uitgewerkt.

Ik ben alleen overgebleven, klaagde Elia. Het is hetzelfde verdriet, tot in de uiterste diepte. Er is niemand bij hem die hem begrijpt en steunt, of die tenminste naar hem luistert, naar zijn verdriet – anders dan veelal in de gemeente van nu, en in families: we zijn niet helemaal alleen. Elia's klacht is ook een uitdaging aan het adres van de HEER: ik heb gedaan wat ik kon, ik zie het niet meer zitten, zegt U het maar, wat doet Ú nu?
“Ik zal in Israël zevenduizend mensen in leven laten die niet voor Baäl hebben geknield en hem niet hebben gekust.”
Zevenduizend, is dat veel of weinig? Statistisch gezien is het, op het geheel van Israël, niet veel. Dat is ook begrijpelijk in het kader van heel Gods toespraak hier aan het adres van zijn profeet: tot drie keer toe spreekt Hij van een zwaard dat slachtoffers zal maken. De achtergrond daarvan is de massale afvalligheid – wij zouden zeggen de secularisatie, die niet ongedaan gemaakt is door de emotionele revival op de Karmel. Het Baälisme is gaan heersen, opnieuw, aangewakkerd onder de heerschappij van de buitenlandse Izebel, de vrouw van koning Achab. Het is de verering van de vruchtbaarheid, de welvaart, de economie, de aardse bloei. – Er blijft een rest over. Dat is een rode draad door het Oude Testament heen. Bisschoppen halen, in hun beschouwing over de kerkverlating, hun neus op voor het idee van de ‘heilige-restkerk’: zij blijven trouw aan het concept van de volkskerk. Al gaan mensen niet meer naar de kerk, ze blijven erbij horen! Maar de bijbelse geschiedenis is één groot getuigenis tegen verbondsautomatisme. Afvalligheid blijft niet ongestraft.

Wereldkerk

Toch spreekt de HEER Elia’s klacht tegen. Nee, je bent níet alleen overgebleven, verre daarvan! Zevenduizend blijven er bewaard – in dit licht is het een enórm aantal. De HEER begrijpt Elia heus wel, maar Hij ziet veel meer, Hij wéét veel meer. En Elia snapt heus wel dat hij in zijn moedeloosheid overdreven heeft. Hij kent de godvrezende Obadja, hofmeester van koning Achab, hij weet best van de honderd profeten, openlijke belijders, die deze intimus van de koning in grotten verborgen heeft om ze te beschermen tegen Izebels razernij en van eten en drinken voorzien. Maar zevenduizend, dat is toch nog heel wat anders. Ongelooflijk, wat een getal!
Het Nieuwe Testament grijpt daarop terug. Paulus citeert in Romeinen 11 uitvoerig deze geschiedenis, de klacht van Elia en Gods antwoord. God verzekert ons: jullie als gelovigen, als kerk in Nederland, zijn niet een armzalig overblijfsel, gedoemd om te verdwijnen. Veel mensen in je omgeving zien dat zo en zouden dat ook best willen zien gebeuren; zo’n tegensprekende minderheid is maar lastig. Maar er is een wereldkerk, ook al zie je die maar voor een heel klein deel. De lijn van dit getal loopt door in het boek Openbaring: de honderdvierenveertig duizend uit Israël (hoofdstuk 7). Het loopt uit, in datzelfde boek, op de onafzienbare menigte.

Superieur

Maar nu hebben we nog iets essentieels in de tekst overgeslagen. Ik 'zal in leven laten', of overlaten, is het eerste woord. Of: Ik laat over; het is niet alleen toekomstig op te vatten. Wij praten over mensen, mensen die blijven of die weggaan. Statistieken tellen alleen mensen, ze kunnen niet anders. Media gaan over mensen. Maar de HEER zegt: Ik ben de handelende persoon. Hij wacht niet eerst af wat mensen doen, of ze zich buigen voor de afgoden van de wereld of dat ze trouw overeind blijven. Hij spaart, Hij bewaart. Als er mensen overblijven, is dat zijn werk.
En Hij weet wat Hij doet. Hij weet hoeveel het er zijn, en wie. Dat is in zijn hand, Hij bepaalt dat, soeverein, met superieure majesteit. Hij kent degenen die van Hem zijn, Hij houdt ze in het oog. Niet één van al die zevenduizend ontsnapt aan zijn aandacht en valt uit zijn hand.
Wij bidden voor degenen die we zien afdwalen. Omdat we van ze houden, én omdat we weten hoe trouw onze God en Heer is. We pleiten op zijn verbondsbelofte, die vast en zeker is, al hebben we een eventueel verbondsautomatisme inmiddels wel afgeleerd.

Feiten onder ogen zien

Het kan zijn dat we de toon van onze voorbede veranderd hebben, omdat we de feiten onder ogen zien, zoals we ook kunnen doen in het geval van ongeneeslijke ziekte en naderend sterven. Of leggen we ons er maar bij neer, en spreken we als kerk bij de afkondiging van een onttrekking nooit meer droefheid uit, omdat we het nu eenmaal de eigen keus en verantwoordelijkheid vinden van de persoon in kwestie?

Hij kent ons en Hij luistert naar ons gebed. En het aantal van degenen die Hij spaart, die in zijn hand zijn, is véél groter dan wij beseffen. Het kan wel zijn dat de verhoring van ons gebed anders uitpakt dan wij voor ogen hadden. Misschien zullen wij ooit, in die onbekende, nog verhulde toekomst, iemand ontmoeten over wie we verrast zijn: hé, ben jij hier ook? En hele groepen, hele volksstammen: hé, zijn die hier ook? En dat we dan als antwoord krijgen: ja, en dat is mee te danken aan jouw voorbede, al had je ons toen niet in je gedachten.

Aanmoedlging

‘Een vast en groot aantal’ – zo duiden de Dordtse Leerregels de uitverkorenen aan. Dat gaat in tegen de twijfel over de uitverkiezing, die gezaaid werd door de remonstranten, maar niet alleen door hen. Het is, aan de andere kant, ook geen geruststelling dat het allemaal toch wel goed komt, dat het allemaal zo’n vaart niet lopen zal – ongeacht of wij trouw zijn of afdwalen, ongeacht of wij bidden of niet. Het is juist een troost in de beproeving waar we doorheen gaan als iemand die we intens liefhebben de kerk en het geloof verlaat, een aanmoediging om vol te houden in die aanvechting. Troost in de belijdenis van de kerk.