Abba, Vader

De Geest zelf verzekert onze geest dat wij kinderen van God zijn (Rom. 8:16).

"Wij zijn aan het vlees niet verplicht om naar het vlees te leven”, schrijft Paulus even eerder (vers 12, HSV). Hoezo? Omdat God zijn Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd heeft. Zo heeft Hij in dit bestaan met de zonde afgerekend (vers 4). Oftewel: Waarom zou je je nog laten leiden door je slechte verlangens, als je al vrij bent van de zonde?
Is dat niet wat al te mooi? Je slechte verlangens zijn toch nog niet weg? Dat weet Paulus ook wel. Maar hij bedoelt dat die slechte verlangens net zoiets zijn als fantoompijn. Mensen bij wie een lichaamsdeel is afgezet voelen soms toch pijn in dat lichaamsdeel. Voor je gevoel zit je nog steeds aan de zonde vast. Maar als je je door dat gevoel laat leiden, zul je nooit ervaren dat de werkelijkheid waarin je leeft allang niet meer bepaald wordt door je vlees, maar door Gods Geest. Een jongere met wie ik deze tekst besprak, zei: "Je maakt het jezelf moeilijk met je ja-maars”. Zo is het.
Houd daarom op nog langer te leven als een slaaf van je slechte verlangens. Ga er de strijd mee aan, in de zekerheid dat de overwinning al behaald is. Dan zul je merken dat je er inderdaad niet alleen voorstaat. Want in je gevecht met je slechte verlangens doet de Geest je bidden: "Abba, Vader”. Zo bad Jezus in Getsemane, toen het Hem aanvloog dat Hij de straf op onze zonde zou moeten dragen.

Het leven van een kind van God verloopt niet gladjes als de Geest in je werkt. Het is een gevecht met jezelf, met het leven en met de wereld om je heen. Toch loopt het hoofdstuk uit op de juichkreet: "Maar wij zegevieren in dat alles glansrijk door Hem die ons heeft liefgehad”. Want het is zijn Geest die in je werkt. Zijn Geest, maar je mag ook zeggen: zijn adem. Jezus is het die in jou in- en uitademt. Samen met Hem ben je die lieve zoon, die lieve dochter, die bij Vader geen kwaad kan doen.