Plakkaat 1525/26 (IV)
Algemeen
We geven hier enkele gebeurtenissen weer, die ± 500 jaar geleden plaatsvonden in de Nederlanden. Ketterijvervolging met behulp van strenge keizerlijke plakkaten. De vorige keer ging over de vervolging in Brugge. Nu volgt een restant daarvan. De mutsenmaker Hector van Dommele was er leider van een conventikel. Verderop gaat het even over Den Bosch, waar een pottenbakker Joost uit Vught een factor was.
Hector van Dommele wordt 1527 niet door de stedelijke officier van justitie gearresteerd zoals anderen, maar door de officiaal van de bisschoppelijke rechtbank van Doornik. Hij krijgt een afzonderlijk proces. Gevangen in het Steen, gelegen op de Burg, moet hij zich telkens verantwoorden tegenover een kerkelijke instantie. Angst en vrees overvallen Hector. Hij geeft tot tevredenheid van z’n ondervragers aan dat hij misschien toch bereid is z’n overtuigingen te herroepen. Terug in z’n gevangeniscel gebeurt er iets bijzonders.
Met de bijbel aan de stok
Hector hoort van buitenaf z’n naam roepen. Hij kijkt door het tralievenster en ziet tot z’n verbazing twee geloofsgenoten van het conventikel uit een raam hangen van een leegstaand huis aan de overkant. Maarten de Smet en Yzebrant Willem Dierickxsz. Ze proberen met een lange stok iets naar hem toe te steken. Aan het uiteinde is een aantal bladzijden gebonden. Het was waarschijnlijk een katern bladzijden, gesneden uit een boek. Tot z’n verrassing waren het bladzijden uit het Nieuwe Testament. En telkens komen er nieuwe bladzijden. Zodat kennelijk bijna het hele NT in zijn handen kwam. Waarschijnlijk was het de eerste Nederlandse vertaling (gedrukt 1523 te Antwerpen) van het verboden Duitse Nieuwe Testament uit 1522 van Maarten Luther. Toen de stok voor de laatste keer over de straat gestoken was, bedankte Hector z’n broeders. De Smet zei: ‘Hou je sterk, man!’
Volharding en straf
En ja, de gevangen Hector van Dommele putte nieuwe moed uit het lezen van het Nieuwe Testament. Tot verbijstering van de bisschoppelijke rechtbank volhardde de man plotseling toch weer in zijn bijna herroepen overtuigingen. De rechters zagen ten langen leste geen andere mogelijkheid dan deze hardnekkige ketter over te dragen aan de wereldlijke macht om ter dood veroordeeld te worden. De executie was op 12 oktober 1527 te Brugge. Een brandstapel stond opgericht op de Burg. Zo ging Hector de weg, waarop Hendrik Voes, Jan van Essen en Jan de Bakker hem waren voorgegaan. Tegelijkertijd werden ook de 36 boeken verbrand, die in Hector’s woning waren aangetroffen.
En de anderen?
Voor gearresteerde en gevangen leden van de groep, die wel bereid waren hun overtuiging te herroepen en af te zweren, was de overheid mild. Ze kregen slechts lichte straffen. Graciaan Gaignie bijvoorbeeld kwam aan de schandpaal met op zijn borst het portret van Luther dat hij thuis bewaarde. Hij werd verbannen buiten het graafschap Vlaanderen, maar kort daarna werd hem al weer toegang verleend tot de stad Brugge. Alleen brouwer Jan Wytinc en schoenmaker Lieven Wedemael kregen zwaardere straffen: zij werden voor eeuwig verbannen. Jan en Lieven trokken daarop beiden naar Antwerpen. Daarvandaan trok Jan in 1528 naar Frankfurt om zaken te doen op de jaarmarkt. Het beviel de brouwer daar zo goed, dat hij het stadsbestuur vroeg om zich er te mogen vestigen. In zijn verzoekschrift gaf Jan aan dat het in Vlaanderen en Brabant verboden was om het Nieuwe Testament thuis te bewaren of te lezen en dat je er met de doodstraf bedreigd werd als je over het evangelie sprak.
Toch nog de brandstapel
Bij die anderen hoorden ook Antheunis van der Cloet, mutsenmaker, en Andries le Roy, een lakenscheerder. Ook zij hadden in de gevangenschap de druk niet kunnen weerstaan en hun overtuigingen herroepen en afgezworen. En zo ook beloofd dat ze zich niet meer ‘met de nieuwlichterij’ zouden inlaten. Andries kwam al weer op vrije voeten. Maar na zijn vrijlating begon hij dadelijk weer zijn ‘hervormingsgezinde gewoonten’ op te nemen. Als relapsus werd hij opnieuw gearresteerd en nu ter dood veroordeeld. Blijkbaar was het met Antheunis evenzo gegaan, want op 22 april 1531 stierven ze samen op de brandstapel.
Den Bosch 1526
Even over naar ’s Hertogenbosch, waar ook dergelijke acties plaatsvonden. Na een roerig jaar 1525 werden in april 1526 negen met ‘Lutherije’ behepte personen veroordeeld tot de strengste straffen, als ze bij hun overtuiging bleven. Onder die druk waren de veroordeelden bereid tot herroepen en afzweren. Dat gebeurde met een indrukwekkende ceremonie in de St Janskerk, 25 april (daarover zo mogelijk later meer). Bij terugval wachtte de doodstraf. Korte tijd na het proces van 25 april liet de overheid de plakkaten tegen ketterij ophangen op houten borden voor de kerk en het raadhuis Tot 1533 bleef het toen betrekkelijk rustig, voor wat de ketterij betreft.[i]
Nieuwe actie
In de loop van 1533 steken ketterse activiteiten weer de kop op. Op Tweede Paasdag (14 april) was er een ‘hagepreek’ tussen Vught en Herlaar voor meer dan 200 burgers en vreemdelingen. Een jongeman, droogscheerder van beroep, las er voor uit de bijbel en verklaarde dat. Dit was een vergrijp tegen de plakkaten, die verboden gehoor te geven aan “de nyeuwe verdoempte secte ende ketterije van Marten Luther, des verloopen monix heresiarthen (des monniks aartsketters, hkb), ende syne adherenten”. Kennelijk bleek de ketterij in het geheim voortgewoekerd, zeker in Vught. De Bossche schout Hendrik Dachverlies kwam meteen in actie. Op aanwijzing arresteerde hij 18 april een aantal schuldigen (o.a. Joost de pottenbakker uit Vught) en dagvaardde gevluchte medeplichtigen. Er werd weer een geloofsrechtbank gevormd met ontboden inquisiteurs/commissarissen uit Leuven. Het vergrijp tegen ‘s lands plakkaten werd zwaar geboet. Zij die niet ter rechtbank verschenen, werden voor altijd uit Den Bosch verbannen met verbeurdverklaring van hun goederen.
Doodstraf?
Van de aanwezigen werden meerderen ter dood veroordeeld. Sommigen verzaakten op het laatste ogenblik de nieuwe leer en kregen een bekende straf: publieke herroeping op het schavot, het offeren van een waskaars voor het sacrament in de hoofdkerk, het dragen van een geel kruis (of zelfs: het branden van een kruis op het gezicht) en geldboeten. Degenen, die niet wilden herroepen en afzweren,moesten de doodstraf ondergaan. De speldenmaker Joost werd op 3 juli onthoofd, zijn geloofsgenoot Peter Hors, een wever uit Vught, stierf toen op de brandstapel (na worging). Op 27 november 1533 onderging Willem de glazenmaker als relapsus (hervallene) hetzelfde lot; terzelfdertijd werd Emont de snyder onthoofd. Tenslotte, na een gevangenschap van negen maanden, is op 5 februari 1534 Joost de pottenbakker uit Vught, op de Markt te ’s Hertogenbosch onthoofd. Op het laatste moment nog door een dominicaan vermaand te breken met de Lutherse leer, weigerde hij en betuigde: ‘Ick en hebbe nerghens mede omgegaen, dan met het wort Godts’.
[i] In 1527 begon ook de oorlog tussen een leger van keizer Karel V en het leger van hertog Karel van Gelder(land). Aangezien Floris bij Tiel teruggeslagen werd, kreeg Den Bosch de ellende van de terugkerende verjaagde soldaten: ordeloosheid, plundering en nieuwe armoede in Den Bosch.
Kerk onderweg