Verdediging van de kinderdoop (I)
Algemeen
Over welke kerkelijk onderwerpen wij gereformeerden onderling ook kunnen verschillen, de kinderdoop lijkt algemeen onbetwist als Bijbels gefundeerd. Kinderen van gelovige ouders horen bij Gods genadeverbond en hebben daarom recht op de doop, als teken en zegel daarvan. Daarom is de christelijke kerk ook verplicht om de doop te bedienen aan deze kinderen.
In de afgelopen decennia was - door het hele land - echter sprake van een even snelle als omvangrijke groei van allerlei evangelische christengemeenten. De leden daarvan komen vooral uit bestaande kerken, die zij om allerlei redenen verlaten hebben. Vaak niet eens omdat ze tegen de kinderdoop waren. Maar bij hun nieuwe gemeente (welke naam die zichzelf ook geeft) is de kinderdoop meestal geen praktijk meer, omdat daar gekozen wordt voor een geloofsdoop op latere leeftijd. De betekenis van die doop is een andere dan de kinderdoop in gereformeerde kerken.
Wederdopers
Wat betreft het verdedigen van de kinderdoop heeft de gereformeerde kerk in ons land een eeuwenlange ervaring. Ongeveer 400 jaar geleden verschenen de wederdopers in ons land. Later ook dopers of doopsgezinden genoemd, of mennonieten (naar de doperse voorman Menno Simons). Dit artikel wil overigens geen is-gelijk-teken zetten tussen zestiende- of zeventiende-eeuwse dopers en hedendaagse evangelische christenen. Want hoewel er overeenkomsten genoemd kunnen worden, zijn er ook verschillen. Het gaat nu specifiek om de kinderdoop. Het doperdom kwam vanuit Noord-Zwitserland, via Duitsland naar onze streek.
De doperse beweging wilde niets weten van de kinderdoop. Luther heeft zich meteen verzet tegen deze nieuwe richting binnen het christendom. De kinderdoop werd immers ook in de rooms-katholieke kerk onderhouden. Ook voor Luther was de verwerping van de kinderdoop daarom een nieuw verschijnsel. En Calvijn verdedigde overtuigend - al in de eerste editie van zijn Institutie (1536) - het Bijbels onderricht inzake de doop voor gelovigen én hun kinderen. In de door Guido de Brès opgestelde Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561) weerlegde hij eveneens opvattingen van wederdopers. Daarnaast bestreed hij hun opvattingen ook in andere publicaties. In 1599 kreeg de theoloog Jacobus Arminius het verzoek om een grondige weerlegging te schrijven tegen doopsgezinde opvattingen. Hij was toen nog geen hoogleraar te Leiden, maar predikant in Amsterdam en stond bekend om zijn geleerdheid. Maar Arminius heeft dit verzoek naast zich neergelegd.
Groei
Maar ondanks de herhaalde en grondige publieke verdediging van de kinderdoop door invloedrijke reformatoren, groeide de aanhang van doopsgezinden gestaag. Het is daarbij opmerkelijk dat het doperdom niet echt kon aarden in Franstalige gebieden. En in de Nederlanden floreerden doperse gemeenten vooral in waterrijke provincies in het noorden en westen van ons land en ook wel in steden als Deventer (aan de IJssel) en Maastricht (aan de Maas). Dus vaak aan of dichtbij water gelegen. Vooral in Friesland moeten zij een aanzienlijke aanhang gekend hebben. Naar schatting was op zeker moment 25% van de Friezen aangesloten bij een doperse gemeente. Het is daarom geen wonder dat vooral predikanten in Friesland het theologische debat aangingen met dopers over hun gedachtengoed. De Friese kerkhistoricus Reitsma schreef ooit: ‘geen theoloog van enige naam rekende zijn leven zinvol als hij niet met mond of pen een aanval had ondernomen op doopsgezinden. Niet zelden was dit een eerste proef van bekwaamheid en geloofsijver die hij aflegde bij zijn eerste kerkelijke optreden’.
Opdracht
Ook rond de Zuiderzee (het huidige IJsselmeer) woonden relatief veel doopsgezinden. Bijna 15% van de inwoners in Noord-Holland was doopsgezind. Vandaar dat ook veel predikanten uit Nood-Holland met publicaties doperse opvattingen bestreden hebben. Een van die boeken willen we er uitlichten, omdat dit boek formeel is goedgekeurd door de Noord-Hollandse synode en daarom een gezaghebbende publicatie is. De particuliere synode van Noord-Holland (Alkmaar, 1626) gaf dominee Petrus Jacobsz Austro-Sylvius (ca. 1573-1647) uit Venhuizen, opdracht om met een grondig geschrift de gevoelens en lasteringen van een invloedrijke doper te bestrijden. Waarom uitgerekend hij voor deze taak werd uitgekozen is onbekend. Over deze predikant is sowieso weinig bekend, mede omdat hij nog andere namen had en dat maakt onderzoek naar zijn persoon lastig. Een jaar later echter vroeg hij aan de kerken om hulp, maar dat verzoek werd aanvankelijk afgewezen. Wederom is niet bekend waarom zijn verzoek werd afgewezen. Maar twee jaar later ontving hij toch ondersteuning; hij kreeg alle materialen waarom hij gevraagd had en ook de medewerking van zijn collega Abraham à Doreslaer (1579-1655) uit Enkhuizen. Over deze collega predikant is gelukkig meer bekend. Hij is geboren in Enkhuizen en was daar predikant van 1605 tot aan zijn dood een halve eeuw later. De kerken van Amsterdam en Leiden hebben nog vergeefse pogingen ondernomen om hem als predikant te krijgen. Dominee à Doreslaer genoot het vertrouwen van de kerken. Hij was verschillende keren lid van de particuliere synode van Noord-Holland en werd ook afgevaardigd naar de bekende nationale synode van Dordrecht 1618/1619. Deze Enkhuizer predikant leverde in 1614 een reeds bestaande (en in de kerken al gebruikte) Bijbelvertaling, maar nu voorzien van door hem uit het Latijn vertaalde kanttekeningen van verschillende reformatoren. Behalve predikant was hij gedurende vijftien jaar ook bibliothecaris van de ‘openbare’ bibliotheek van Enkhuizen. Iemand die daarvan gebruik wilde maken moest overigens wel de Latijnse taal beheersen, want de meeste boeken waren in het Latijn gedrukte wetenschappelijke studies (theologie, geneeskunde, recht, geschiedenis enz.)
Resultaat
De beide predikanten, Austro-Sylvius en à Doreslaer gaan aan de slag en schrijven een boek over de theologische opvattingen van doopsgezinden en de weerlegging daarvan.
Twee andere predikanten uit Nood-Holland zijn als ‘meelezers’ erbij betrokken. Het resultaat rolde in 1637 te Enkhuizen van de drukpers, een dik boek met de titel: Grondighe ende klare Vertooninge van het onderscheydt in de voornaemste hooft-stucken der christelijcker religie, tusschen de gereformeerde ende de weder-dooperen enz. Een jaar eerder hadden zes predikanten uit Noord-Holland (één uit elke classis) het manuscript beoordeeld en in een gezamenlijke verklaring goedgekeurd. Hiermee beschikten predikanten en belangstellenden eindelijk over een gedegen studie die kerkelijk was getoetst. Er volgde nog een herdruk van dit boek in 1649 en dat moet in 1657 nog een keer gebeurd zijn.
Lange tijd gold deze publicatie als een standaardwerk, waar latere auteurs (waaronder de bekende theoloog Voetius) met instemming naar verwezen. In een volgend artikel willen we bekijken welke argumenten de auteurs in hun boek zoal noemen om op grond van de Schrift de kinderdoop te verdedigen.
Kerk onderweg